


Stabiliteitspact





WANNEER IS SPRAKE van uitzonderlijke omstandigheden? Over deze abstracte
vraag vechten de Europese ministers van Financieuml;n nu al maanden een
heel concreet meningsverschil uit. Het gaat over de invulling van het
zogenoemde stabiliteitspact, een oorspronkelijk Duits voorstel om de
landen die deelnemen aan de gemeenschappelijke Europese munt te binden
aan begrotingsdiscipline.


Het stabiliteitspact roept praktische en principieuml;le problemen op.
Het Verdrag van Maastricht, dat de criteria voor de overgang naar de
Economische en Monetaire Unie (EMU) van eacute;&eacute;n munt bevat,
noemt maatregelen in de 'excessieve tekortprocedure' om landen aan te
sporen hun financieringstekort onder de drempel van drie procent van het
bruto nationale produkt te houden. In de aanloop naar de EMU blijkt al
hoe moeilijk het is om die norm te halen. De ministers van
Financieuml;n zoeken nu naar hardere garanties zodat landen, eenmaal in
de EMU, zich ook daadwerkelijk aan een beperking van hun tekorten
houden.

Daarbij is de nodige vooruitgang geboekt: de overheidsfinancieuml;n
dienen ,,dicht bij evenwicht'' te zijn (dat kan ook een
begrotingsoverschot zijn) en overtreders van de drie-procentsnorm moeten
een fikse boete betalen. Het probleem zit in de uitwerking. Er zijn
omstandigheden denkbaar dat een tijdelijke overschrijding van de norm
economisch onvermijdelijk en wellicht zelfs gewenst is. In geval van een
ernstige recessie of plotselinge, externe gebeurtenissen kunnen
oplopende begrotingstekorten helpen om de schokken op te vangen. Dan zou
een automatische boeteclausule de schade alleen maar vergroten.

En hier begint de discussie over ,,tijdelijke en uitzonderlijke
omstandigheden''. Met hun bekende degelijkheid hebben de Duitsers
voorgesteld dat een economische krimp van meer dan twee procent
gedurende vier kwartalen een reden is om een overschrijding van de
tekortnorm te aanvaarden. Een daling van het bnp met twee procent
gedurende een jaar heet in het dagelijkse spraakgebruik een diepe
economische recessie. Met uitzondering van Nederland dat dicht tegen de
Duitse positie aanzit, vinden andere landen dit een te extreem
standpunt. Met name de Fransen pleiten voor het inbouwen van een
politiek element in de beoordeling.

 




DE WENS VAN de ministers van Financieuml;n om de hoogte van tekorten,
boetes en uitzonderingsomstandigheden in concrete cijfers vast te
leggen, is begrijpelijk. Ze hopen op deze manier hun nationale
collega-ministers tot matiging te kunnen dwingen. Bovendien is bij de
aanloop naar de EMU duidelijk geworden hoe regeringen kunnen sjoemelen
met de begrotingscijfers: Frankrijk door de creatieve boekhouding met de
opbrengsten van de privatisering van France Teacute;l&eacute;com (de
staat neemt de toekomstige pensioenbetalingen op zich) en Italieuml;
met de eurotax (de Italianen betalen in 1997 een extra belasting zodat
het financieringstekort in de buurt van de EMU-norm komt, en in het
volgende jaar wordt deze belasting weer teruggegeven aan de burgers). Of
de verlenging met een jaar van de solidariteitsbelasting in Duitsland en
de wijze waarop in Spanje met de winst van staatsbedrijven
begrotingsgaten worden gedicht.

Aan de verabsolutering van de cijfers kleven ook bezwaren. In de eerste
plaats worden economische statistieken daarmee nog verder gepolitiseerd.
Bij de vraag of de France Teacute;l&eacute;com-constructie geoorloofd
was, lag het politieke oordeel ook al bij het Statistisch bureau van de
Europese Unie. Het adagium 'leugens, grove leugens en statistieken'
krijgt dan een nieuwe, Europese betekenis. In de tweede plaats roept een
automatische toepassing van het stabiliteitspact de vraag naar
democratische controle op. Niet de verantwoordelijke politici of de
gekozen parlementarieuml;rs maar de computermodellen van de Europese
Unie nemen besluiten. (Deels ligt dit besloten in de aard van de
Economische en Monetaire Unie: het stabiliteitspact preciseert de
economische kant van de muntunie. En het is ook juist dat, als landen
hun overheidsfinancieuml;n laten versloffen, de internationale
kapitaalmarkten als anonieme, disciplinerende macht optreden.)

Het derde bezwaar is dat economische veranderingen werkelijk onvoorzien
kunnen zijn en dan breekt nood wet. Zonder die flexibiliteit zijn regels
bij voorbaat ongeloofwaardig.  




DESONDANKS BLIJFT het verstandig om harde afspraken in het
stabiliteitspact neer te leggen. De aandrang om alles in strikte regels
dicht te timmeren, verraadt een nog steeds bestaand wantrouwen tussen de
beoogde EMU-partners. De vrijwillige overdracht van de monetaire
soevereiniteit in de EMU is van een dusdanige politieke en economische
betekenis dat deze met de grootste veiligheidswaarborgen omgeven dient
te zijn. Ook met de waarborg dat de partners in het EMU-avontuur op
begrotingsgebied geen gekke dingen kunnen doen.











