


Action commune





,,WIJ HOUDEN de rug recht'', verzekerde minister Sorgdrager (Justitie)
twee jaar geleden toen de Tweede Kamer zich bezorgd toonde over de
voorgenomen uitbreiding van de taken van Europol, vooruitlopend op een
behoorlijke regeling van deze grensoverschrijdende politiedienst.
Ondanks de stellige verklaring van de minister dat hiervan geen sprake
kon zijn, ging premier Kok op de Eurotop van Essen overstag. Hogere
Europese belangen wonnen het van nationale bezwaren, hoe terecht die op
zichzelf ook waren.


Er is nu een vergelijkbare situatie aan het ontstaan in verband met het
drugsbeleid. Het Nederlandse gedoogbeleid ligt onder vuur van Frankrijk,
Zweden en het Ierse voorzitterschap van de Unie. Op zichzelf kan
Nederland niets gebeuren. Harmonisering van het drugsbeleid behoort tot
de zogeheten derde pijler van de Unie. De besluitvorming is daar niet
communautair maar intergouvernementeel van aard. Dit betekent dat ieder
land ongestraft kan weigeren. De communautaire sanctie dat een
weigerachtige lid-staat voor het Europese Hof van Justitie kan worden
gesleept, ontbreekt hier.

Er mag fijntjes aan worden herinnerd dat Nederland zich sterk maakt voor
een rol van de rechter in de intergouvernementele samenwerking. Dit
streven krijgt tot dusver bitter weinig gehoor bij de Europese partners.
Door hun opstelling onderstrepen zij alleen maar het belang van de
nationale soevereiniteit als sluitstuk van de justitieuml;le en
politieuml;le samenwerking. Van Nederland kan moeilijk worden gevergd
dat het daarvan in zijn eentje afstand doet. NET ZO MIN als in 1994 is
het eenvoudig de rug recht te houden nu Nederland de komende periode het
voorzitterschap van de Europese Unie overneemt. Een Verklaring van
Amsterdam als opvolger van het Verdrag van Maastricht is toch al een
hachelijke onderneming en een Nederlands veto over het drugsbeleid zal
geen goed doen. Er is ook wel een stille uitweg denkbaar, een clausule
in de voorgenomen action commune dat het aangescherpte
drugsbeleid door de lid-staten wordt uitgevoerd met inachtneming van de
nationale rechtsstructuren. Nederland kent het opportuniteitsbeginsel,
dat wil zeggen dat het openbaar ministerie niet verplicht is ieder
strafbaar feit dat ter kennis komt, te vervolgen. Op deze basis is het
bestaande gedoogbeleid toch al geschoeid.

Het behoort tot de (CDA-)folklore dat gedogen een onvertaalbaar woord is
dat niet valt uit te leggen aan de Europese partners. Dus wat denkt
Nederland wel. De Duitsers kennen echter wel degelijk het begrip
Duldung (ook al hebben zij anders dan Nederland wegrave;l een
vervolgingsplicht) en zelfs de kwade Fransen praktiseren classement
sans suite van allerlei overtredingen. Gedogen dus. Men mag aannemen
dat de ambtenaren van het departement van Justitie daarop hebben gegokt
toen ze in het ambtelijk vooroverleg akkoord gingen met de omstreden
action commune. Toch was toen al te zien dat het belang van de
volksgezondheid, dat het gedoogbeleid nu juist heet te dienen,
onmiskenbaar op de achtergrond raakt. MISSCHIEN WAS dat stilletjes niet
onwelkom, want ook in eigen land is het ongeduld over de drugsoverlast
gegroeid. Zoiets wakkert de oude spanningen tussen de sectoren van
Volksgezondheid en Justitie natuurlijk aan. Er bestaat een hardnekkige
neiging binnenlandse stammentwisten uit te vechten over de Europese
band. Erg sterk is de regie van de eerstbetrokken ministers Sorgdrager
en Dijkstal (Binnenlandse Zaken) niet te noemen. Premier Kok heeft er
aan te pas moeten komen om de bres in het front te dichten. Daarin te
berusten zou de geloofwaardigheid van Nederland ook niet ten goede zijn
gekomen.










