


Eind aan status aparte





OVER DE TOEKOMSTCONFERENTIE met de Nederlandse Antillen en Aruba in 1993
is opgemerkt dat de Nederlandse regering ,,zich heeft geschikt in het
onvermijdelijke om zich te richten op het noodzakelijke''. Het
onvermijdelijke sloeg op de onhoudbaarheid van de gedachte dat de
eilanden met Aruba voorop via de 'status aparte' tot volledigde
onafhankelijkheid zouden komen. Er kan inderdaad beter van worden
uitgegaan dat de Caraiuml;bische rijksdelen voorlopig deel van het
koninkrijk blijven uitmaken. Het balletje dat de VVD deze week tijdens
het begrotingsdebat over Antilliaanse en Arubaanse zaken opgooide over
afscheiding van Aruba wilde niet echt stuiteren. Het koninkrijksverband
is wellicht een verstandshuwelijk, maar dat duurt vaak het langst.


Over blijft de noodzaak ernst te maken met de deugdelijkheid van bestuur
en de rechtszekerheid in de rijksdelen overzee. Dit vergt ook een
deugdelijke inspanning van Nederland. De laatste tijd is er ook een
duidelijke toename van contacten tussen Nederlandse vakdepartementen en
gespecialiseerde organisaties als de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten met de 'counterparts' overzee. De coouml;rdinatie van deze
netwerkvorming, zoals het kabinet het noemt, berust aan Nederlandse kant
bij het Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse zaken, in de
wandeling KabNA genaamd. Met het oog op de intensivering van de
koninkrijksverhoudingen is dit minidepartement enkele jaren geleden
gereorganiseerd. Toch wil het niet echt vlotten, zo blijkt uit een
evaluatie-onderzoek. Uit het evaluatierapport komt KabNA naar voren als
een instelling die van hoog tot laag verkokerd is terwijl er interne
verdeeldheid heerst tussen een klassieke op harmonie en samenwerking
gerichte richting en een meer op interventie gerichte stroming.

Dat is natuurlijk precies het kernprobleem, een teken dat het ontbreekt
aan een behoorlijke politieke verankering. De onderzoekers constateren
dan ook diplomatiek dat ,,de ambtelijke organisatie de politieke sturing
als te weinig richtinggevend en eenduidig ervaart''.

GEEN WONDER. Voortgekomen uit het departement van Overzeese Zaken
(aanvankelijk met Suriname erbij) heeft KabNA al heel wat rondgezworven
in Den Haag: Verkeer en Waterstaat, Landbouw en Visserij (thans nog
steeds een belangrijk administratief steunpunt voor KabNA), Binnenlandse
Zaken, Sociale Zaken, Justitie en nu Defensie. Het zijn niet de minste
politici die er aan te pas zijn gekomen (Biesheuvel, De Gaay Fortman, De
Koning) maar het is zo langzamerhand wel de vraag welke minister de
koninkrijksaangelegenheden er niegrave;t bij heeft gedaan. Dat vormt
geen goede voedingsbodem voor het behoorlijk bestuur dat terecht het
brandpunt van de betrekkingen uitmaakt. Bij de begrotingsbehandeling gaf
de huidige bewindsman Voorhoeve (Defensie) te kennen dat de
koninkrijksportefeuille hem meer tijd kost dan hij had gedacht. Dat is
niet verbazingwekkend met Srebrenica als concurrent. De aparte
portefeuille die Voorhoeve voorstelt is alleen al in het licht van de
kerntakendiscussie die bij iedere kabinetsformatie opduikt echter
overdreven.

WAT DAN? Binnenlandse Zaken komt als eerste in aanmerking aangezien dat
toch al de constitutionele aangelegenheden doet (en de politie). De
noemer van het binnenlands bestuur heeft echter al gauw een bijsmaak van
neokolonialisme. Algemene Zaken heeft dit stigma veel minder en
koninkrijksaangelegenheden-nieuwe-stijl passen ook mooi bij de algemene
coouml;rdinerende rol van de minister-president. Hoofdzaak is dat de
koninkrijksaangelegenheden een behoorlijk en vooral bestendig onderdak
krijgen. Ook als het Nederland slechts nolens volens ernst is met de
aanscherping van de koninkrijksband, valt dat moeilijk te rijmen met een
voortdurende 'status aparte' van KabNA.











