


De stand van de natie





RUSTIG EN TEVREDEN  koerst de Nederlandse bevolking af op de 21ste eeuw.
We leven in een welvarende, geseculariseerde samenleving waarin de
grenzen aan de toename van de permissiviteit in zicht komen. Natuurlijk
maken we ons zorgen over de problemen van alledag, maar van een algemeen
gevoel van pessimisme over de toekomst is geen sprake. De grote steden
vormen gebieden met een samenhang van sociale, culturele en economische
problemen die dringend om aandacht vragen.


In grote lijnen gaat het goed met de Nederlandse samenleving. Het aantal
mensen dat onder de armoedegrens leeft, daalt, ook al neemt de armoede
in die groep toe omdat veel huishoudens geen gebruik maken van de
voorzieningen waarop ze recht hebben. De banengroei is groot, de
arbeidsdeelname van vrouwen neemt toe. De flexibilisering van de
arbeidsmarkt valt reuze mee en de baanloze groei waarover in het recente
verleden bezorgdheid bestond, is een fabel. Het gemiddelde
opleidingsniveau van de beroepsbevolking stijgt sterk. Met de gezondheid
van de bevolking is het goed gesteld. De AOW blijft betaalbaar, al
zullen de inkomensverschillen tussen gepensioneerden toenemen. De
politieke onverschilligheid neemt af en de politieke onvrede is stabiel.
De deelname aan de samenleving in verenigingsleven of vrijwilligerswerk
blijft onverminderd hoog.

 




DIT IS HET BEELD van Nederland zoals dat zijn neerslag heeft gevonden in
het Sociaal en Cultureel Rapport 1996. Iedere twee jaar verzamelt het
Sociaal en Cultureel Planbureau onderzoeksgegevens over de Nederlandse
samenleving en bundelt deze in een kloek rapport. Het is in sterke mate
beleidsgericht en de opvattingen van de onderzoekingen die in het
SCP-rapport zijn opgenomen  sluiten dan ook nauw aan bij het lopende
overheidsbeleid. ,,Politiek en beleid kunnen in Nederland beschikken
over een regelmatige terugkoppeling via onderzoeksresultaten'', staat in
de openingsalinea van het rapport. Zo wordt in het SCP-rapport
welwillend opgemerkt dat de Melkertbanen tot extra werkgelegenheid
zullen leiden, dat de grote steden bijzondere beleidsaandacht verdienen
en dat de aanpassingen in de sociale zekerheid weliswaar hun effect
hebben gehad, maar dat de acceptatie van grotere sociale verschillen in
zicht is. Daarnaast trapt het SCP ook een aantal open deuren in, zoals
de vaststelling dat televisiekijken gepaard gaat met minder deelname aan
vrijwilligerswerk, dat grote steden trendsetters blijven wat betreft
culturele modernisering of dat onderwijsinstellingen geconfronteerd
worden met keuzeproblemen.

 




DE GROTE STEDEN zijn gekozen als thema dat bijzondere aandacht krijgt in
het SCP-rapport. Het SCP onderschrijft de rol van grote steden als
centra van economische activiteit, onderwijsvoorzieningen en cultureel
leven, maar legt de nadruk op de concentratie van werkloosheid, armoede
en criminaliteit. En ook hier gaat het om overheidsbeleid. Enigszins
korzelig wordt opgemerkt dat in het economische stimuleringsbeleid van
het huidige kabinet ,,de naar veronderstelling gunstige werking van de
'markt' meer nadruk krijgt dan voorheen''. Het SCP houdt niet zoveel van
de markt.

Als bundeling van sociaal-wetenschappelijke en culturele
onderzoeksgegevens over de stand van Nederland heeft het tweejaarlijkse
SCP-rapport een nuttige functie. Maar een rapport dat doordesemd is van
beleidsjargon en overheidsbemoeienis heeft betrekkelijke waarde als
kritische spiegel van de samenleving. Het SCP-rapport blijft in hoge
mate een beleidsvisie op Nederland. Misschien ook wel omdat de overheid
zo dicht op de Nederlandse samenleving zit.












