


FNV-fusie......en grondslag





HET FEEST DAT de vakcentrale FNV deze week ter gelegenheid van het
twintigjarig bestaan vierde, was terecht bescheiden. Los van het feit
dat het slechts een gewoon lustrum betreft, is er momenteel binnen de
vakbeweging te veel gaande. Het broze evenwicht dat de vakcentrale als
overkoepelende organisatie van diverse aangesloten vakbonden vanouds
vormt, wordt dezer dagen als gevolg van de fusiekoorts van enkele bonden
danig op de proef gesteld. De door sommigen uitgesproken vrees dat het
nog maar de vraag is of de FNV het zilveren jubileum wel zal halen als
de ontwikkelingen doorzetten, is zeker niet ongegrond. In elk geval zal
er dan sprake zijn van een geheel andere vakcentrale. Iets dat overigens
niet negatief hoeft te worden beoordeeld.


Het voornemen tot samenwerking van een aantal FNV-bonden werkzaam in de
marktsector heeft een paradoxale reden. Om meer op micro-schaal te
kunnen opereren streven de bonden naar schaalvergroting. Toch is de
gedachtengang die enkele maanden geleden is ontvouwd door de middelgrote
Dienstenbond een logische. De georganiseerde
werknemersvertegenwoordiging heeft de afgelopen maanden geen gelijke
tred gehouden met de ontwikkeling van de arbeid in de bedrijven zelf.
Waar vroeger nog een strikt onderscheid kon worden gemaakt tussen de
verschillende sectoren waarin werknemers werkzaam waren, is dat
tegenwoordig veel moeilijker. Zo is bijvoorbeeld een agrarische
bedrijfstak als de zuivel meer en meer uitgegroeid tot een technologisch
hoogwaardige industrie. Veel banen in de industrie vertonen op hun beurt
steeds vaker raakvlakken met dienstverlening. Als dat de gegroeide
praktijk is, dan doet een statische verdeling tussen bij voorbeeld
Voedingsbond, Industriebond en Dienstenbond als het gaat om de
belangenbehartiging van de werknemers kunstmatig aan. De cao-gebieden
van de verschillende bonden overlappen elkaar tegenwoordig daarvoor
veel. In dat geval is alleen al uit doelmatigheidsoverwegingen een
samengaan van de diverse nu nog apart opererende bonden een welhaast
onontkoombare consequentie.

 




HET GEVAAR VAN een dergelijke schaalvergroting is op het eerste gezicht
eenvormigheid. De vakbeweging heeft op dit punt haar eigen historie. De
tijden van het strikt vanuit de overkoepelende vakcentrale
gecoouml;rdineeerde arbeidsvoorwaardenbeleid, gekenmerkt door uniforme
looneisen en verlangens ten aanzien van collectieve
arbeidstijdverkorting zijn nog niet zo lang voorbij. Anno 1996 is de
trend in bedrijven en ook bij de overheid een tegenovergestelde.
Arbeidsvoorwaarden zijn een kwestie van maatwerk geworden; niet alleen
per bedrijf of instelling, maar bijna per werknemer. De collectieve
arbeidsovereenkomst krijgt zodoende steeds meer de contouren van een
raamovereenkomst, waarbij het nader regelen van de details wordt
overgelaten aan het niveau waar dit het best kan worden beoordeeld. Het
is een hoopvol teken dat de FNV-bonden die nu met elkaar in gesprek zijn
over een fusie deze ontwikkeling volledig erkennen. De bonden zijn tot
het inzicht gekomen dat het weinig zin heeft om elk als afzonderlijke
organisatie over tientallen professionele bestuurders te beschikken
terwijl bij duizenden bedrijven over de arbeidsvoorwaarden moet worden
overlegd. Samenbundeling van krachten is dan de enige uitweg.

Dit betekent wel dat de bonden
van karakter zullen veranderen. De fusie tussen Dienstenbond,
Industriebond, Voedingsbond en Vervoersbond die thans aan de orde is,
houdt in dat de werknemers niet meer op basis van hun beroepsgroep
worden georganiseerd, maar toch vooral als werknemer. Het is duidelijk
dat als deze principieuml;le stap eenmaal is gezet, de weg naar
samenwerking met andere bonden volledig openligt. Des te vreemder is het
daarom dat de aanstaande fusiepartners er op het laatste moment vanaf
hebben gezien ook de geiuml;nteresseerde Bouwbond FNV bij hun plannen
te betrekken. Hun argument is dat de bouw teveel specifieke kenmerken
bezit en er daardoor een 'bond in de bond' kan ontstaan.  Aan de andere
kant zal veelvormigheid en diversificatie juist een van de kenmerken van
de voorgenomen 'mega-bond' zijn. De bezwaren lijken dan ook meer op
machtspolitieke overwegingen te berusten. Als een aantal belangrijke
FNV-bonden tot samenwerking besluit, is een onomkeerbaar proces in gang
gezet. Aansluiting van de Bouwbond is in dat geval nog slechts een
kwestie van tijd.

DE UITKOMST VAN het fusieproces zal zeker gevolgen hebben voor het
functioneren van de vakcentrale FNV. Deze zal, als de ontwikkelingen
doorzetten, in de nabije toekomst niet meer bestaan uit negentien
afzonderlijke vakbonden maar gedomineerd worden door een bond die
werkzaam is in de marktsector en een bond die zich richt op de
collectieve sector. De vakbondsoverschrijdende activiteiten, nu nog het
voornaamste werkterrein van de centrale, zullen hierdoor zeker
verminderen. Een discussie over de functie van de vakcentrale zou in het
licht van de fusiebewegingen dan ook meer op zijn plaats zijn dan een
debat over de grondslag van de FNV zoals deze week op het lustrumfeest
werd aangekondigd. De uit 1981 daterende grondslag van de vakcentrale is
inderdaad gedateerd en op onderdelen verouderd. Aan de andere kant heeft
de vakcentrale zich in haar dagelijkse werkzaamheden reeds lang
aangepast. In die zin is een vernieuwing van de grondslag niet anders
dan een bevestiging van het beleid dat nu reeds wordt gevoerd. De FNV is
nog steeds meer dan een loonfabriek, maar anders dan in de jaren
zeventig is zij zich ook bewust van haar beperkingen als het gaat om
maatschappelijke opvattingen.

 




DE VRAAG IS dan ook of de FNV al haar energie moet steken in een
discussie over de grondslag nu er zoveel andere veranderingen voor de
deur staan. Als gevolg van de grootscheepse hergroepering van de
FNV-bonden is immers niet de grondslag van de FNV aan de orde, maar het
voortbestaan van de vakcentrale. 








