


De zaak Guuml;m&uuml;s





HET LOT VAN DE Turkse familie Guuml;m&uuml;s uit Amsterdam begint, mede
dankzij veel media-aandacht, de proporties van een ongemakkelijk
politiek en moreel dilemma aan te nemen. Komen zij nu wel of niet in
aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van de zogenoemde
'zes-jarenregeling'? Met op de achtergrond de politieke vraag: hoe gaat
Nederland om met illegale vreemdelingen die niets te verwijten valt,
behalve hun aanwezigheid.


De zes-jarenregeling is destijds bedoeld als een coulance-maatregel voor
illegalen die overigens als gewone burgers in de Nederlandse samenleving
functioneerden. Zij werkten, betaalden premies en belasting, kregen een
sociaal-fiscaal nummer, stonden ingeschreven bij de burgerlijke stand.
Wonen, werken, schoolgaan, een rijbewijs halen, gezondheidszorg -
feitelijk stonden zij alleen bij de plaatselijke vreemdelingendienst als
'illegaal' te boek omdat louter de verblijfsvergunning ontbrak. De
talloze andere Nederlandse overheidsinstellingen plachten hieraan
onbekommerd voorbij te gaan. Het was de verkokering van het
overheidsapparaat ten voeten uit: vanuit Den Haag bestuurt ieder
departement zijn eigen burger. In de jaren negentig is hieraan onder
druk van een brede meerderheid in de Tweede Kamer verandering gekomen.
Het aantal vreemdelingen dat zich in Nederland wilde vestigen om
politieke of economische redenen nam fors toe, de maatschappelijke
weerstand eveneens. Sindsdien staat het kompas op controle, indammen,
ontmoedigen en ook repressie. Aan de talloze overheidsloketten werd
sinds 1992 voortaan gevraagd om en gecontroleerd op
verblijfsvergunningen - de zogenoemde 'witte illegaal' staat dan ook op
uitsterven, de zes-jarenregeling eveneens. Deze loopt eind dit jaar af.





TOTDAT DE FAMILIE Guuml;m&uuml;s in het gemakkelijk spraakmakende
Amsterdam de aandacht op zich vestigde. Op basis van de koele feiten is
er geen houden aan. Noch de rechter, noch de staatssecretaris wisten het
dossier zo te interpreteren dat de familie recht kreeg op een
verblijfsvergunning. De kostwinner voldeed niet aan de eisen die de wet
stelde: een minimum aantal gewerkte dagen in een aangegeven periode.
Guuml;m&uuml;s kwam in 1989 naar Nederland, vond regelmatig werk in
illegale naai-ateliers, maar werkte zich op tot fulltime zelfstandig
kleermaker met een eigen bedrijf. Zijn kinderen gaan in Nederland naar
school en hebben geen, of nauwelijks een band met Turkije. Weliswaar
lijkt de regeling naar de geest op zijn casus toegesneden (integratie,
geen strafblad, onevenredige schade door terugkeer) - aan de objectieve
maatstaven voldoet hij niet.

De wens van de Kamer is intussen helder. Staatssecretaris Schmitz heeft
in 1994 zelfs zware politieke druk moeten weerstaan om de toen als te
coulant bechouwde zes-jarenregeling door de Kamer geaccepteerd te
krijgen. Coalitie en oppositie hadden liever helemaal geen regeling.
,,Een illegaal is en blijft illegaal'', zo maakte het Kamerlid Rijpstra
( VVD ) destijds korte metten. De Kamer zei het hem na en ging slechts
kreunend door de bocht, vooral omdat Schmitz niets anders deed dan de
onder haar voorganger Kosto gegroeide praktijk codificeren. En dit op
uitdrukkelijk verzoek van de Raad van State, als immer bezorgd om
rechtszekerheid en -gelijkheid. 



ILLEGALE VREEMDELINGEN, die niets te verwijten valt behalve hun
aanwezigheid, worden Nederland dus uitgezet. Zo gaat het iedere dag:
politieke vluchtelingen uit Bosnieuml; of Somali&euml;, economische
vluchtelingen uit Marokko of Turkije (zoals de familie Guuml;m&uuml;s)
worden consequent geweigerd en teruggestuurd. De 'marge van
barmhartigheid' die de staatssecretaris was vergund voor groepen
vreemdelingen die in Nederland arriveerden op een toleranter, althans
minder repressief tijdstip, is tot in juridische decimalen vastgelegd.

Moet nu de familie Guuml;m&uuml;s op de blaren zitten? Nee. De stelling
'een illegaal is en blijft een illegaal' is ten gronde een
definitiekwestie. De zes-jarenregeling sluit de periode van 'witte
illegalen' af, waarin verwachtingen gewekt zijn waarop mensen hun
bestaan hebben gebaseerd. Kamer en kabinet dragen daarvoor een zekere
verantwoordelijkheid. Na het zomerreces mag staatssecretaris Schmitz
zich verantwoorden in de Kamer. Uiteindelijk zal iedere
'witwas-regeling' slachtoffers kennen. Maar als de geest van de wet zo
duidelijk afwijkt van de uitkomst, dan deugt de wet niet. Een regeling
die bedoeld is om een bepaalde, goed gedefinieerde groep vreemdelingen
in Nederland tegemoet te komen, moet ook coulant kunnen worden
toegepast.










