


Grondpolitiek





HUIZEN ZIJN NIET duur omdat de grondprijs hoog is, maar de grondprijs is
hoog omdat huizen duur zijn. Met deze parafrasering van de klassieke
uitspraak van David Ricardo, een van de grondleggers van de moderne
economie, is het probleem van de grondprijzen samengevat. Huizenprijzen
en grondpolitiek, ze horen onlosmakelijk bij elkaar. Zoals ook de
samenhang met het gemeentelijke beleid voor gronduitgifte, de
planologische beslissingen van de overheid over de inrichting van
Nederland, de werking van het prijsmechanisme en het verwijt van
grondspeculatie.


De grondpolitiek houdt Nederland al ruim een eeuw bezig en de
tegenstelling is steeds dezelfde gebleven. Aan de ene kant staan de
verdedigers van de belangen van de grondbezitters, aan de andere kant
die van de publieke zaak. Opmerkelijk genoeg sprak de liberale leider
Thorbecke zich al in 1851 uit tegen de spitsvondigheden van
grondeigenaren als het om onteigening voor het publieke belang ging en
pleitte de liberaal Van Houten in 1890 voor uitbreiding van het
onteigeningsrecht voor gemeenten, beperking van de schadeloosstelling
aan de grondeigenaren tot de gebruikswaarde en bestrijding van
grondspeculatie.

 




OP 22 MAART 1977 struikelde het kabinet-Den Uyl over de grondpolitiek,
een van de vier 'maatschappijhervormingen' uit die bevlogen jaren. Het
ging om de vraag of bij onteigening de 'gebruikswaarde' dan wel de
'verkeerswaarde' (de vrije marktprijs voor grond) betaald moest worden.
De oppositiepartij VVD en de regeringspartijen KVP en ARP stonden
tegenover de PvdA, D66 en de linkse partijen. Het waren de belangen van
de agrarische grondbezitters en de projectontwikkelaars tegenover de
voorstanders van socialisering van de grond. Minister De Boer
(Ruimtelijke Ordening) had dan ook gelijk toen ze in de Eerste Kamer bij
de behandeling van de Wet voorkeursrecht gemeenten zei dat over het
onderwerp ,,een schaduw uit het verleden'' ligt.

Dezelfde politieke scheidslijn als negentien jaar geleden liep door het
parlement bij de behandeling van deze wet, die beoogt om gemeenten meer
armslag te geven bij de aankoop van grond. Het voorkeursrecht dat
gemeenten sinds 1985 hebben bij onteigening in het kader van
stadsvernieuwing, wordt door de wetswijziging verbreed naar situaties
waarin gemeenten als gevolg van planologische besluiten van het rijk of
de provincie grond moeten aankopen. Toen Alders in de vorige
kabinetsperiode de wet voorbereidde, zou het alleen gaan om de
zogenoemde VINEX-locaties (nieuwbouw in grootstedelijke gebieden), maar
De Boer wilde de wetswerking uitbreiden naar alle gemeenten. En daar
begon het gedonderjaag.

 




DE VVD STOND op de bres voor het eigendomsrecht van particulieren, het
CDA voor de agrarische belangen; PvdA en D66 wilden een zo ruim
mogelijke toepassing van het gemeentelijke voorkeursrecht. Uiteindelijk
stemde de Tweede Kamer in meerderheid voor een motie van het CDA om het
toepassingsbereik van de wet te beperken tot gemeenten die van hogerhand
een 'uitbreidingscapaciteit' toegewezen krijgen. Ook werd nog eens
bekrachtigd dat het om vrijwillige verkoop gaat en dat de gemeenten het
voorkeursrecht moeten uitoefenen tegen de geldende marktprijs. De senaat
ging vorige week met de gewijzigde wet akkoord. Zowel in de Tweede als
Eerste Kamer was de VVD tegen.

De ironie wil dat de wetswijziging te laat komt om het prijsopdrijvende
effect bij VINEX-locaties te bestrijden, want deze zijn al grotendeels
in handen van projectontwikkelaars. Het verschil in prijs tussen
agrarische grond en grond voor stedelijke uitbreiding vertaalt zich in
hogere prijzen voor huizen in de vrije sector, in hogere subsidies voor
de sociale woningbouw en in kleinere bouwkavels. De prijs van grond in
VINEX-locaties voor nieuwbouw in het Groene Hart is inmiddels zo'n
anderhalf miljard gulden gestegen. Overigens profiteren niet alleen de
verkopers van de grond, maar ook de toekomstige huizenbezitters van de
vermogensvorming door deze hogere grondprijzen.

 




TOCH BLEEF OPWINDING over de grondpolitiek deze keer uit. De roep om de
(agrarische) 'gebruikswaarde' en niet de 'marktwaarde' te betalen voor
grond die van bestemming verandert, wordt niet meer van PvdA en D66
gehoord, zoals in 1977, maar uitsluitend van de linkse oppositie. Het is
ook lastig om dit onderscheid te maken. Bij aandelen of obligaties wordt
ook nooit gezegd dat deze tegen gebruikswaarde moeten worden verkocht en
dat koerswinst verboden moet worden. Hiermee is het vraagstuk van
prijsopdrijving overigens niet verdwenen. De overheid legt de
toekomstige bestemming van de grond vast in planologische kaders. Tal
van bestemmingen dienen zich aan, zoals agrarisch gebruik, recreatie,
infrastructuur, woningbouw, bedrijvenparken. Maar grond is schaars in
Nederland en de prijs van een schaars goed gaat omhoog. Dat leerde
Ricardo al in 1817.











