


Terugkeer





,,MENSEN UITZETTEN is moeilijk'', zei staatssecretaris Schmitz
(Justitie) met kenmerkende openhartigheid in januari tijdens het
zoveelste Kamerdebat over het verwijderen van uitgeprocedeerde
asielzoekers. Dat is tot dusver een onderbelicht aspect van het
vreemdelingenbeleid geweest. Toch valt er niet aan te ontkomen. De
capaciteit daadwerkelijk tot verwijdering over te gaan, vormt het
sluitstuk op de geloofwaardigheid van met name het asielbeleid. ,,Niet
toelaten betekent terugkeren'', zo drukt de bewindsvrouw het treffend
uit in haar langverwachte 'terugkeernotitie', waarover de Tweede Kamer
binnenkort debatteert. De term terugkeer is welbewust gekozen. Schmitz
had eerder al eens gezegd dat zij liever niet praat over verwijdering
maar over terugkeerbeleid. Zij wil meacute;&eacute;r dan mensen  bout
portant over de grens zetten. Daarom heeft zij een heel pakket van
maatregelen ontwikkeld. Er wordt voorzien in speciale
ontwikkelingsprojecten in de landen van herkomst en individuele
subsidieuml;ring van terugkerende asielzoekers. En als terugkeer
werkelijk niet wil lukken, ondanks de medewerking van de betrokkenen,
dan is er voor hen een speciale, tijdelijke verblijfsstatus die na drie
jaar leidt tot volledige toelating.



DIT LAATSTE voorstel is een aantal woordvoeders uit de Tweede Kamer al
direct in het verkeerde keelgat geschoten. De notitie maakt ook niet
duidelijk waarom weer een nieuwe status noodzakelijk is. De bestaande
driejarenregeling is niet van toepassing op afgewezen asielzoekers die
door het thuisland worden geweigerd. Maar het verlenen van een eigen
verblijfstitel wekt al gauw de -  verkeerde - indruk dat Nederland
asielzoekers een nieuwe kans geeft te blijven. Tijdsverloop alleen is
geen reden voor legalisering.




Ook bij de terugkeersubsidie voor afgewezen asielzoekers past een
vraagteken. De beoordeling van een verzoek tot toelating stoelt op vrees
voor politieke, religieuze of raciale vervolging en niet op economische
nood. Een terugkeersubsidie is, alweer, het verkeerde teken, hoezeer de
bekommernis van Schmitz met afgewezen asielzoekers op zichzelf valt te
waarderen. Zij wil hun zoveel mogelijk gezichtsverlies bij terugkeer
besparen, maar accentueert daardoor onvermijdelijk het economische
aspect van de asielzoekersstromen dat haar hele beleid juist beoogt
tegen te gaan. Financieuml;le hulp is wel op zijn plaats bij
opvangprojecten in arme landen van herkomst, maar dan gaat het om
ontwikkelingssamenwerking. 



DE OPDRACHT waarvoor staatssecretaris Schmitz is gesteld, is niet
eenvoudig. Zelfs een groot land als Frankrijk is er de afgelopen jaren
niet in geslaagd om meer dan dertig procent van de voor vertrek in
aanmerking komende vreemdelingen daadwerkelijk te verwijderen.
Dergelijke gegevens stemmen tot bescheidenheid. Toch is de
terugkeernotitie in de eerste reacties niet zonder reden gekritiseerd
als een wat onbestemd stuk. Het is onduidelijk hoe het rijk de
onplezierige taak van een stringent verwijderingsbeleid ter hand denkt
te nemen in plaats van de gemeenten het vuile werk te laten opknappen.
Zeker, na de al aangekondigde 'verwijderunit' van de Immigratie- en
Naturalisatiedienst (IND) krijgt deze dienst nu speciale
'terugkeerteams'. Maar het hart van staatssecretaris Schmitz lijkt
vooral te liggen in de vrijwillige varianten. Het is de vraag of dat
politiek voldoende zal zijn.










