


Gekleurde scholen





ONDERWIJS GELDT als een van de belangrijkste instrumenten voor sociale
en economische emancipatie. De samenstelling van het 'paarse' kabinet is
een treffend voorbeeld van het succes van dit langgekoesterde beleid.
Gestudeerde zonen en dochters van bijvoorbeeld een timmerman, een
kolenboer, een kapper, een molenaar en een middenstander bekleden
ministersposten. De maatschappelijke doorbraak van de kinderen van de
'werkende stand' langs de weg van onderwijs en studie is in Nederland
sinds de Tweede Wereldoorlog een vanzelfsprekendheid.


In de volksbuurten van de grote steden met een hoge concentratie van
etnische minderheden doet zich een ontwikkeling voor die deze
emancipatorische betekenis van het onderwijs dreigt te doorkruisen. Werd
enkele jaren geleden al gewaarschuwd dat zich een scheiding tussen
'witte' en 'zwarte' scholen begon voor te doen, nu beginnen de
basisscholen in zogeheten achterstandswijken ook nog een eenzijdigheid
wat betreft de nationale herkomst van de leerlingen te vertonen. Uit een
reportage in deze krant over Amsterdam-Oost blijkt dat er door gerichte
schoolkeuze nagenoeg homogene Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en
Nederlandse basisscholen ontstaan. Elke etnische groep heeft zijn eigen
(basis)school.

DOOR DEZE VRIJWILLIGE etnische verzuiling in het onderwijs fragmenteert
de multiculturele samenleving. Dit stelt niet alleen het onderwijzende
personeel op de betreffende scholen voor grote dilemma's. Het roept ook
vragen op over het overheidsbeleid ten aanzien van minderheden. Het
streven naar integratie en emancipatie, doelstelling van het
minderhedenbeleid, dreigt door de ouders en leerlingen afkomstig uit de
minderheidsgroepen ondermijnd te worden.

De gevaarlijke kanten van deze ontwikkeling zijn duidelijk. Culturele
vorming, taalvaardigheid, kennis van de Nederlandse samenleving -
onontbeerlijk voor een studie- of beroepsperspectief - worden in naar
nationale herkomst gescheiden scholen nog moeilijker over te dragen. Dit
geldt minder voor kinderen van Surinaamse of Antilliaanse afkomst die
een Nederlandstalige achtergrond hebben dan voor Turkse en Marokkaanse
kinderen. Concreet dreigt de situatie dat Turkse en Marokkaanse
leerlingen op school hun eigen taal blijven spreken, terwijl ze op
straat met vriendjes en vriendinnen van dezelfde nationaliteit omgaan en
thuis via een schotelantenne alleen maar naar Turkse of Marokkaanse
televisieprogramma's kijken. De emancipatorische werking van het
onderwijs en van Sesamstraat gaat dan volledig aan ze voorbij.

IN HET MINDERHEDENBELEID wordt er impliciet van uitgegaan dat de eerste
generatie immigranten zich slechts in beperkte mate zal integreren in de
Nederlandse samenleving, alle inburgeringscontracten ten spijt. De hoop
is gevestigd op de volgende generaties die via het onderwijssysteem een
verplicht proces van acculturatie en Nederlandse taalvaardigheid
doormaken. Dit zou de opstap moeten zijn naar hoger onderwijs, toegang
tot de arbeidsmarkt en vertrek uit achterstandsbuurten. Maar als de
etnische fragmentatie al bij het basisonderwijs begint, dreigt de
integratie van migrantenkinderen in de hoofdstroom van de Nederlandse
samenleving in een vroeg stadium geblokkeerd te worden. Emancipatie in
eigen kring was in het verzuilde Nederland van weleer een mogelijkheid
tot maatschappelijke positieverbetering, maar gevreesd moet worden dat
dit voor etnische minderheden geen perspectief inhoudt.










