


Lokale lasten





EEN INWONER VAN   Lelystad betaalt drie keer zoveel lokale belastingen
als een inwoner van Putten. Een inwoner van Den Haag betaalt veel meer
dan iemand die over de gemeentegrens in Wassenaar of Voorburg woont. Een
Leidenaar is jaarlijks tweeeuml;neenhalf keer zoveel kwijt aan
onroerende zaakbelastingen, afvalstoffen- en rioolrechten als een
Katwijker.


Gemeentelijke lasten zijn ongelijk verdeeld en ze stijgen. Ze vormen een
bron van ergernis voor bewoners die jaarlijks met fors hogere aanslagen
worden geconfronteerd. Landelijk proberen de politici de lastendruk te
verlagen, maar lokaal schiet deze omhoog. Het leidt tot spanningen
tussen lokaal en nationaal bestuur, tot rijksbemoeienis met de
gemeenten.

Nederland is een klein land met een gekoesterd beeld van een evenwichtig
inkomensbeleid. Grote financieuml;le verschillen per gemeente passen
daar niet goed in. Tussen centrale regels en lokale uitvoering ontstaan
daardoor voortdurend spanningen. Dit geldt overigens niet alleen voor de
lokale belastingen, maar bijvoorbeeld ook voor de toekenning van
bijstandsuitkeringen. In beide gevallen speelt de discrepantie mee dat
het rijk grotendeels betaalt en de uitvoering is gedelegeerd naar lokaal
niveau.

DE AFGELOPEN JAREN   stonden in het teken van bestuurlijke
decentralisatie. Het rijk trok zich terug, de rijksbijdrage aan de
gemeenten verminderde, de gemeenten kregen grotere
verantwoordelijkheden, de bijzondere bijstand werd een zaak van de
gemeentelijke sociale diensten. De gedachte achter deze beweging was
economisch verstandig. Leg de verantwoordelijkheden op lokaal niveau,
dat beter is toegesneden op specifieke omstandigheden en zichtbaarder is
voor de burgers, ook in hun hoedanigheid van kiezers. Bovendien
verplicht het de bestuurders om verantwoording af te leggen over de
financieuml;le gevolgen van hun beleid. In het verleden konden
gemeenten gemakkelijk geld uitgeven, het rijk betaalde toch en
kostenbeheersing had geen gevolgen voor de lokale begroting. Niet alleen
de wens tot bezuinigingen op rijksniveau, maar ook de introductie van
prikkels om tot een rationele keuze van lokale uitgaven te komen en om
zichtbaar te maken wat de kosten van gemeentelijk beleid zijn, lag aan
de verschuiving van verantwoordelijkheden ten grondslag.

In feite was sprake van de introductie van beleidsconcurrentie. Dit
begrip gebruikte de onlangs tot secretaris-generaal van het ministerie
van Algemene Zaken benoemde topambtenaar Geelhoed in een
tijdschriftartikel om aan te geven dat nationale overheden binnen de
Europese Unie volop ruimte hebben om een eigen sociaal-economisch en
fiscaal beleid te voeren. Deze vrijheid moeten ze benutten om zich
gunstig te onderscheiden van andere lidstaten.

BELEIDSCONCURRENTIE   zou zich bij meer financieuml;le autonomie ook
tussen de gemeenten kunnen voordoen. Maar de rijksoverheid kan het niet
laten zich met het lokale beleid te bemoeien. Zodra er klachten komen
over de decentrale uitvoering van de bijstandswet moet de 'Landelijke
Veranderingsorganisatie' (sic) proberen een brug te slaan tussen de
lokale uitvoerders en de toezichthouders van het rijk, dat negentig
procent van de bijstandsuitgaven financiert. Bij de gemeentelijke
begrotingen (tachtig procent gefinancierd door het rijk) is het niet
anders. Het kabinet wil niet dat het nationale inkomensbeleid doorkruist
wordt door grote gemeentelijke verschillen in lastendruk. Daarom
overweegt het kabinet om in de
begroting van volgend jaar een extra bedrag aan de gemeenten toe te
kennen en om de gemeenten te dwingen hun belastingen te verlagen.

Dat is prettig voor de inwoners van Lelystad, Den Haag, Leiden en
Enschede, de vier 'duurste' gemeenten van Nederland. Maar het beginsel
dat lokale bestuurders politiek kunnen worden aangesproken op het
gemeentelijke financieuml;le beleid is daarmee weer een eind
teruggedrongen. Egalisatie dus, en geen fiscale beleidsconcurrentie. Dat
is teleurstellend.

  








