


Oververhitting





HET WOORD IS min of meer uit het nationale economische geheugen gewist,
maar na jaren van krimp en gesukkel is het terug. Oververhitting. De
laatste keer dat in Nederland de economie tekenen van oververhitting
vertoonde, was meer dan dertig jaar geleden. En nu voorspellen het
Internationale Monetaire Fonds (IMF) en het Centraal Planbureau (CPB)
beide dat in 1997 en 1998 sprake zal zijn van volledige
capaciteitsbenutting in het bedrijfsleven en van een einde aan de
conjuncturele werkloosheid. Het is een verheugende vaststelling: terwijl
het grootste deel van continentaal Europa in de greep verkeert van
stagnatie en massale werkloosheid, bestaat er een kleine delta van
economische bloei en uitbundige werkgelegenheidsgroei. Een half miljoen
nieuwe banen erbij in vier jaar, dat is een formidabele prestatie.


Nagenoeg iedereen profiteert van de economische voorspoed. Het
bedrijfsleven boekt klinkende winsten, de werknemers in de particuliere
en publieke sector verdienen wat meer, de koopkracht stijgt, de
uitkeringen volgen de loonontwikkeling, de overheid ziet het
financieringstekort afnemen. Het beleid van vijftien jaar aanpassen en
loonmatiging werpt zijn vruchten af.TOCH BLIJFT het Nederlandse succes
vol paradoxen. Ten minste drie springen er in het oog. Ten eerste neemt
de werkgelegenheid toe maar het aantal uitkeringen daalt nauwelijks.
Tegenover het groeiend aantal deeltijdbanen, de (her-)intreding van
vrouwen en het stille einde aan de jeugdwerkloosheid staan de geringe
daling van het aantal mensen met een WW-uitkering en de hernieuwde
stijging van het aantal WAO'ers. In vergelijking met het vangnet van de
bijstand zijn dat 'dure' uitkeringen, zodat de uitgaven voor de sociale
zekerheid, ondanks de banengroei, blijven stijgen en de sociale fondsen
tegen een miljardentekort aankijken.

De tweede paradox is dat een uitbundig groeiende economie geen impuls
van de overheidsbestedingen - hetzij in de vorm van publieke
investeringen, hetzij van lagere belastingen - nodig heeft, maar eerder
gebaat is bij beperking van de overheidsuitgaven en lastenverhoging.
Toch pleit niemand daar voor. Integendeel, lastenverlichting wordt alom
wenselijk geacht, temeer omdat tegen het jaar 2000 een sluitende
begroting wordt verwacht. Lagere belasting op arbeid vormt heacute;t
recept voor meer werk en voor vermindering van het beroep op
uitkeringen.

Ten derde heeft het Nederlandse model het probleem van de inactiviteit
niet opgelost. De vroegtijdige uittreding van vijftig-plussers neemt
dramatische vormen aan en grote groepen laaggeschoolde, langdurig
werklozen staan min of meer permanent buiten de reguliere arbeidsmarkt.
Desondanks worden de institutionele regels en financieuml;le prikkels
onvoldoende aangepast. Het CPB pleit nu voor een aanpak van de verborgen
werkloosheid onder ouderen; de overheid erkent stilzwijgend dat het
scheppen van werk aan de onderkant van de markt slechts mogelijk is met
gesubsidieerde 'Melkertbanen'. Gunstige uittredingsregels en een
verwaarloosbaar inkomensverschil tussen uitkeringen en het minimumloon
zijn daar debet aan.

WELLICHT ZAL de voorspelde schaarste op de arbeidsmarkt aan deze
ongerijmdheden een einde maken. Het valt immers niet goed te verklaren
dat werknemers de prijs voor hun arbeid omhoog schroeven, terwijl nog
altijd zo'n vijftien procent van de bevolking in de werkzame leeftijd
formeel geen werk (meer) heeft. Het gevaar van looninflatie kan, met
andere woorden, worden afgewend door veel meer aandacht te besteden aan
de overgang van uitkeringen naar inkomen uit werk. Nederland heeft,
zoals het IMF stelt, een ,,gouden mogelijkheid'' om in een comfortabele
situatie van welvaartsgroei enkele resterende structurele knelpunten op
te ruimen. Dat kan met een verhoging van de arbeidsparticipatie, een
verlaging van de bruto-arbeidskosten en een laatste stap naar
begrotingsevenwicht. Dit alles ligt, met voortzetting van het huidige
beleid, binnen bereik voacute;&oacute;r het einde van deze eeuw.










