


Het lijden van het CDA





NIETS BLIJFT het CDA bespaard, zo lijkt het wel. Van de partij die nog
geen vier jaar geleden bekendstond als de uitstekend geoliede machine,
is op dit moment niet veel meer over dan een krakende en hortende wagen
die nauwelijks meer vooruitkomt. Nog geen enkel teken van herstel valt
er te bespeuren na het verkiezingsechec van 1994 waarbij het CDA twintig
Kamerzetels ofwel veertig procent van zijn aanhang verloor. Integendeel,
de peilingen wijzen er al enige tijd op dat het CDA wederom een
gevoelige tik van de kiezers te wachten staat. Nog even en van de eens
zo machtige christen-democratische politieke beweging is niet veel meer
over dan een factor van slechts beperkte betekenis.


De ontreddering die er momenteel in de partij heerst, is daarom ook wel
te begrijpen. Het meest markant komt deze tot uiting door de openlijke
bemoeienissen met de gang van zaken van het niet benoemde
'seniorenconvent'. Nadat de afgelopen weken oudgedienden als Biesheuvel,
Schmelzer, Andriessen en Gardeniers zich kritisch over de huidige CDA
-leiding hadden uitgelaten, kwam daar gisteren nog eens de
ondubbelzinnige kritiek van oud-premier Van Agt bij. De wijze van
oppositievoeren was miserabel, CDA-fractievoorzitter Heerma voldeed niet
en er moest haast gemaakt worden met het aanwijzen van een nieuwe
leider.

Dit soort geluiden zijn gemakkelijk af te doen als opmerkingen van de voorbije g
eneratie. Maar dat zou de invloed van deze
categorie ontkennen. Het CDA, en de groeperingen waaruit de partij in de
jaren zeventig is voortgekomen, hebben altijd een aanzienlijk informeel
machtscircuit gekend. Een circuit dat juist bevolkt werd door
oudgedienden. Het verschil met vroeger - en dat tekent wellicht ook de
ernst van de situatie - is dat de peetvaders nu kiezen voor de openlijke
confrontatie met de huidige CDA-top. Binnenskamers worden zij blijkbaar
niet meer gehoord.

Daarbij komt dat de kritiek die de coryfeeeuml;n van weleer spuien,
binnen de partij - voor zover het de gewone leden betreft - breed wordt
gedragen. De onvrede over het functioneren van de Haagse CDA-politici is
groot. Nu verkeert de CDA-fractie ook in een weinig benijdenswaardige
positie. Het regeerprogramma van het paarse kabinet kan voor negentig
procent door het CDA worden onderschreven. Zeker als het gaat om de
financieuml;le hoofdlijnen van het beleid is er sprake van een
voortzetting van de koers van de kabinetten-Lubbers. De basis van het nu
zo bejubelde poldermodel is gelegd door kabinetten waarin het CDA een
grote inbreng had. De voortgaande economische groei maakt het voor het
CDA ook al niet gemakkelijk zich tegen het zittende kabinet af te
zetten. MAAR HIER TEGENOVER staat het ervaringsgegeven dat een partij
die geen regeringsverantwoordelijkheid draagt de ruimte heeft intern
orde op zaken te stellen en de mogelijkheid bezit de eigen identiteit
inhoud te geven. Vandaar dat er in 1994 heel wat CDA'ers in het geheel
niet rouwig om waren dat de partij na zeventig jaar besturen eindelijk
tot de oppositie was veroordeeld. Bijna drie jaar later moet worden
vastgesteld dat het CDA de tijd om te recupereren als zand tussen de
vingers heeft laten weglopen. Het leiderschap van de partij is een
voortdurende bron van discussie, terwijl het inhoudelijke alternatief
van de partij nog nauwelijks uit de verf is gekomen. Intussen komen de
verkiezingen steeds dichterbij. De bewegingen in het regeringskamp laten
zien dat de verkiezingscampagne daar in feite reeds is begonnen. Het
permanente hanengevecht tussen Kok en Bolkestein kan niet meer los
worden gezien van de electorale dimensie. Gouden tijden voor de
oppositie, kortom. Maar deze beraadt zich intern nog steeds op de vraag
wie het straks tegen de leiders van PvdA en VVD moet opnemen. DE
PARTIJLEIDING van het CDA hecht aan een zorgvuldige procedure. Maar de
zorgvuldigheid keert zich vooral tegen de partij. Hoe langer er nog niet
over het leiderschap is beslist, hoe groter de onduidelijkheid. De
partij verkeert reeds te lang in een machtsvacuuuml;m. Dat signaal is
met de woorden van Van Agt opnieuw vanuit de eigen partij afgegeven.
Irritatie daarover is een begrijpelijke reactie. Maar de kritiek serieus
nemen zou verstandiger zijn.











