


Stagnerende tijgers





ER KOMT SLECHT economisch nieuws uit Oost-Azieuml;. De groei is het
afgelopen jaar teruggevallen, de exporten stagneerden, de tekorten op de
betalingsbalans liepen zorgwekkend op en de wereldwijde hausse van
beurskoersen heeft de regio overgeslagen. De slechtst presterende
effectenbeurzen in 1996 waren die van Thailand (in dollars gemeten min
40 procent) en Zuid-Korea (min 38 procent). De beurs van China is tegen
het einde van het jaar in elkaar geklapt.


Bestaat er zoiets als het 'Oostaziatische economische wonder' en, zo ja,
is dat wonder inmiddels voorbij? Volgens gezaghebbende economen heeft
Oost-Azieuml; zijn dubbele groeicijfers van de afgelopen jaren slechts
te danken aan de massale mobilisatie van hulpbronnen en arbeid,
besparingen en het afzien van consumptie. Het groei-effect van een
dergelijke mobilisatie-economie is eindig en de kwalitatieve sprong naar
verbetering van de produktiviteit zou niet zijn gemaakt.

De Wereldbank heeft in een recente studie ('Is the East Asian Miracle
over?') de perspectieven van de opkomende landen in Oost-Azieuml;
(hierbij is Japan niet meegerekend) onderzocht. Ter ontnuchtering stelt
de Wereldbank vast dat het overgrote deel van de Oostaziatische
bevolking nog altijd een extreem laag inkomen heeft en dat 450 miljoen
mensen in armoede leven. Tegelijkertijd is het vermogen van de
Oostaziatische landen voor snelle groei ,,zonder precedent in de
economische geschiedenis van de wereld''. Ze vormen de enige groep
ontwikkelingslanden die bezig zijn de kloof met de industrielanden
werkelijk te verkleinen. Sinds het begin van de jaren zeventig bedraagt
de jaarlijkse groei van de regio gemiddeld zeven procent, sinds 1990
negen procent. De economie van China is sinds 1980 met 270 procent
gegroeid en zelfs de armste landen van Indo-China zijn hard op weg
Aziatische tijgers te worden. Ondanks de tegenvallers van het afgelopen
jaar is nog altijd sprake van groei en de komende jaren verwacht de
Wereldbank een hervatting van de uitzonderlijk hoge groeicijfers.

 




EEN ECONOMISCH 'wonder' is geen kwestie van koersen op de automatische
piloot, maar van beleid dat zich voortdurend aanpast aan veranderende
omstandigheden. Gezien de onderliggende dynamiek blijft de Wereldbank
zeer optimistisch over de perspectieven voor de komende jaren:
,,Oost-Azieuml; beschikt over macro-economische omstandigheden om
jaloers op te zijn en een fabelachtig potentieel voor groei.''

Toch blijven verdere aanpassingen noodzakelijk om een gunstige
ontwikkeling in de komende eeuw vol te houden. De Wereldbank signaleert
zes knelpunten die dringend om een oplossing vragen: verbetering van de
infrastructuur (een jaarlijks benodigde investering van 150 miljard
dollar), hervorming van staatsbedrijven en de financieuml;le sector,
armoedebestrijding en betere verdeling van de welvaart, investering in
scholing en hogere arbeidsproduktiviteit, de invoering van een stelsel
van sociale verzekering en, ten slotte, investeringen in
milieu-verbeteringen. Milieu-aantasting wordt ,,de zwarte vlek'' op het
Aziatische succes genoemd.

De Wereldbank rekent ook af met een hardnekkige mythe over de effecten
van de Oostaziatische groei op geiuml;ndustrialiseerde landen. De
dynamiek van de opkomende lage-lonenlanden betekent niet alleen dat ze
exporteren, maar ook dat ze nog veel meer hoogwaardige goederen
importeren. Dat komt de werkgelegenheid in de geiuml;ndustrialiseerde
landen ten goede, zodat toenemende handel met Oost-Azieuml; per saldo
helpt om banen te scheppen. Dat blijft het goede nieuws.











